Soms denk ik dat mijn oma uit Amsterdam een kind was van twee werelden. De oude stad van armoede en tucht, en de nieuwe stad van onderwijs en vooruitgang. Ze leefde precies in die overgang waarin kennis, voor het eerst, een deur opende voor wie arm was. Die deur bleef voor haar zelf op een kier staan. Maar door haar — en zovelen als zij — kon een volgende generatie erdoorheen stappen.

Dit is het verhaal van oma Bets, dochter van Willem La Grouw en zijn Hanna, Johanna van Deventer. Geboren in 1892, overleden in 1982. Belangrijk voor haar kleinkinderen. Lief, zorgzaam. Zij was speciaal.  Wie haar levenslijn volgt, volgt de geschiedenis van de gewone mens: arm, waardig, volhardend, en zacht.

Opgegroeid in een stad vol verandering

Het was een bijzondere dinsdag, die 22e maart van het jaar 1892.
In een benauwde kleine woning aan de Marnixstraat 227, waar het licht maar schraal door de ramen viel, slaakte Theresia Elisabeth haar eerste kreetje van haar leven. “Bets,” noemde men haar. Een naam die eenvoud ademde, net als het gezin waarin ze geboren werd. Haar vader, Willem La Grouw, korendrager, korenweger of kistenmaker, afhankelijk van het jaar, had al vier zoons. Haar moeder, Johanna van Deventer, was sinds november 1890 zijn tweede vrouw. Een dochter in het mannenhuishouden was als een nieuw geluid, een zachte toon in een harde wereld.

Nog geen uur na haar geboorte beefde de woning op zijn fundamenten.
Een doffe knal, gevolgd door glasgerinkel en een schokgolf van rook en stof, trok door de wijk. Op een paar straten afstand, bij de drogisterij en bakkerij aan de Huidenstraat, deed een explosie de buurt opschrikken. Zes doden, tientallen gewonden. De lucht vulde zich met angstkreten en brandlucht. Honderden Amsterdammers stroomden toe, nieuwsgierig of bezorgd.
De oudste jongens, Willem, Coenraad en Jan van het gezin La Grouw, renden ondanks hun vaders roepen, naar het inferno. Kleine Simon bleef thuis — bij de wieg, waar zijn pasgeboren zusje lag, slapend alsof de wereld nog niet bestond.
De stad huilde, maar het kind ademde. Amsterdam rouwde en verwelkomde tegelijk.

Bets groeide op in een tijd waarin de stad bol stond van verandering. De negentiende eeuw liep op haar eind: gaslicht verdrong de olielamp, de paardentrams waren gekomen en boven de grachten hing de damp van kolenkachels. In de nauwe straten van de Jordaan en rond de Marnixstraat was er armoede, maar ook veel liefde en voortdurende hoop op een beter leven.

Rond de grachten bloeide de rijkdom; in de Jordaan en langs de Marnixstraat  nam de armoede toe. De vervuilde stad wachtte op een betere tijd.
Vader Willem was kistenmaker. Kisten die nodig waren voor transport van goederen en producten. Een ambachtsman dus, die houten kisten vervaardigde, maar ook misschien wel het maken van meubilair.  Het loon was laag, de werktijden tot wel 14 uur per dag. Het was hard werken om te overleven. Hanna, zoals zijn vrouw werd genoemd, deed wat ze kon: koken, wassen, zorgen, bidden dat het geld tot het einde van de week reikte. En ze deed dat huishouden in een ruimte van nauwelijks dertig vierkante meter – één kamer met twee bedsteden, een toilet en een spoelhok met gootsteen. En waar de kinderen dan sliepen? De beschikbare bedden werden gedeeld en het woongedeelte was als het moest ook een slaapgedeelte.

Met de verhuiskar

Maar toch, de straat leefde. Soms klonk er muziek, kinderen speelden op straat, moeder zong af en toe bij het wassen, straatventers riepen en er was het belletje van ijscoman in de zomer.
Zo was het in het einde van de 19e eeuw. Bets groeide op in schaarsheid; er was niets. Ze was gewend aan de jaarlijkse verhuizing naar een ander onderkomen. De weinige spullen werden in een kar meegenomen, het gezin kon weer een paar maanden gratis wonen.

Willem en Hanna behoorden tot de Amsterdamse onderklasse. Voor hen was verhuizen een bestaansstrategie. Jan moest als kistenmaker iedere dag maar zien of er iets te doen was. Hanna bleef thuis. Als het kan verdiende ze iets bij  als werkster. De huur was een grote onkostenpost en als daar op kon worden bespaard, dan deden ze dat: verhuizen dus. En dat gebeurde vaak. Heel vaak. Willem was dat met zijn eerste vrouw, Maria, al gewend en Hanna wist als kind ook niet beter.

Interieur van een school en de school komt uit. Foto’s : Jacob Olie, begin 20e eeuw.

Toen in 1901 de Leerplichtwet werd ingevoerd, betekende dat ook voor Bets een ommekeer. Niet langer kon elk kind thuis maar helpen of op straat wat bijverdienen; men moest naar school. Voor veel arme gezinnen was dat een last. Een paar centen minder in huis betekende minder brood op tafel. Toch ging Bets, met een leien bordje onder haar arm en afgetrapte schoenen aan haar voeten, naar school, ergens in de buurt van al die arbeiderswoningen, waar veel gezinnen  zo ongeveer elk jaar weer een andere kamer zochten. Uit geldnood.
Het was er koud in de winter en benauwd in de zomer, met te veel kinderen in één lokaal. Maar er waren ook onderwijzers die geloofden dat kennis het enige was dat een kind kon verheffen boven zijn of haar lot.
Misschien heeft Bets toen geleerd haar naam netjes te schrijven, in die sierlijke krulletters die later nog op haar huwelijksakte te zien waren.

Tik met de liniaal

Bets kwam waarschijnlijk op een openbare school terecht, want er was geen geld om te kiezen. Een school waar de ene onderwijzer de kinderen met liefde leerde rekenen en schrijven. En de andere meester ervan hield de tucht te bewaren. Wie praatte, kreeg een tik met de liniaal. Links schrijven? Pats. Het latje knalde op de vingers van het kind.
Wie spijbelde, werd thuis bezocht door de schoolopziener — een angstwekkende man in een donkere jas, die controleerde of ouders hun kinderen niet aan het werk hielden.

Voor veel gezinnen was het een vernedering als zo’n man aan de deur kwam.
Stel je eens voor hoe Bets’moeder, mijn overgrootmoeder, hem met een rood hoofd te woord stond, haar handen nog nat van het waswater.
“Ze gaat, meneer. Ze is er elke dag. Alleen vanmorgen had ze koorts.”
De man schreef iets in zijn boekje en vertrok weer, zonder te knikken.

Toch was er ongetwijfeld ook iets moois in dat schoolleven. De pen die je in het inktpotje doopte, het geluid van krijt op het bord, het moment dat de meester een plaat ophing van een wereldkaart.
“Hier,” zei hij, “is Nederlands-Indië. Ons land overzee.” De kinderen keken naar het blauw en geel op de kaart, alsof een wonder werd verteld. Bijna een sprookje. Misschien droomde Bets toen heel even van verre landen — al zou ze zelf als kind nooit verder komen dan de rand van de stad.

Feest in de stad

Op de ochtend van 6 september 1898 werd Bets wakker in een bed dat kraakte bij elke beweging. De kamer rook naar vochtige muren en oude zeep. Ze sliep met haar moeder in een bedstede die ooit wit was geweest, maar nu grauw van de jaren. De familie La Grouw was net weer verhuisd — dit keer naar een woning in de Van Beuningenstraat, een krot met één raam en een lekkend dak.

“Tot de huurbaas ons eruit zet,” had vader Willem gezegd. “Dan zoeken we weer wat anders.”

Het was hun vierde verhuizing in drie jaar. Steeds weer een ander onderkomen, steeds weer een kar met spullen, steeds weer hopen dat het deze keer iets langer zou duren. De woningnood in Amsterdam was nijpend. De stad groeide, maar de armen verhuisden van vochtige kelder naar tochtige zolder, van kamer naar kamer, als zwervers met een gezin.

Prinses Wilhelmina op weg naar de inhuldiging in de Nieuwe Kerk. Bron: Stadsarchief.

Toch was het feest in de stad. Koningin Wilhelmina werd gekroond, en zelfs in de armste straten hingen oranje slingers. Bets had een lint gekregen van haar juf, en droeg het als een sjaaltje om haar hals. Haar broers hadden een houten kroon getimmerd en liepen ermee door de straat, roepend: “Leve de koningin!”

Maar toen ze thuiskwamen, stond de huisbaas al op de stoep. “De huur is niet betaald,” zei hij. “Jullie hebben tot zaterdag.”

Moeder Hanna, zwanger van haar derde kind, zuchtte, haar handen in het sop. “We gaan wel weer,” zei ze. “We zijn het gewend.”

Die avond zat Bets, op een krukje, haar leien bordje op schoot. Ze schreef het woord “kroon” in sierlijke letters, terwijl haar moeder haar haren vlocht. Buiten klonken nog de laatste tonen van een fanfare in de verte.

“Ze heeft een paleis,” zei Bets zachtjes.

“En jij hebt een hoofd vol dromen,” zei haar moeder. “Dat is ook wat waard.”

Leerlingenwet van 1901

Bets moest ook toen zij 9 jaar was, naar school, dank zij de leerlingenwet van 1901. In 1904 was het voorbij. Ze kon schrijven, rekenen, lezen en had iets geleerd over de vaderlandse geschiedenis en ze kende wat psalmen uit haar hoofd. Na school kon Bets helpen in de huishouding of als het meezat wat geld verdienen, als  schoonmaakster, of in een fabriek.

Of Bets ooit droomde — wie zal het zeggen. Maar In haar nalatenschap bleef nauwelijks iets over.  Haar Evert was bankwerker. En dat was geen vetpot.  Zij heeft haar grote liefde misschien via de buurt, of in de kerk, leren kennen. Wie zal het zeggen. Of het ‘houden van’ er direct was valt niet te zeggen, maar bleef altijd totdat de dood hen scheidde. Bets trouwde in 1914 met haar Evert in het kerkje van Sloterdijk. En dat in een periode waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hun dag was echter nog vol hoop en de oorlog was ver weg. Sloterdijk, een dorp met sloten en weilanden aan de rand van de stad. Evert droeg zijn beste pak, zij een eenvoudige jurk, en in de lucht hing de geur van mest en lente.
Ze begonnen aan een leven samen — eenvoudig, zorgzaam, met weinig geld. Maar de kinderen waren hun rijkdom. In 1915 diende het eerste kind zich aan. Johanna Elisabeth, kortweg An of Annie. Mijn moeder, vernoemd naar haar  oma, zag op 22 mei 1915 het levenslicht.

De familie La Grouw in 1915. De foto is genomen ter gelegenheid van het 25-jarig huwelijksfeest van Willem en Johanna La Grouw-Van Deventer. Oma Bets, toen nog een jonge vrouw van 23 jaar, staat op de bovenste rij met haar eerste kindje Annie. Naast haar Evert de Kruijf.

Het was ook het jaar waarin Willem La Grouw en Hanna van Deventer 25 jaar getrouwd zijn. Er was ruimte en wat geld voor een feest, met daarbij een foto van het echtpaar met hun kinderen en kleinkinderen. Allen in pak, al dan niet gehuurd, de foto moest mooi zijn en die werd het. Bets en Evert stonden er ook, op de bovenste rij. Bets met haar eerste kindje, Annie, nog maar een paar maanden oud. Het is een bijna historische foto van de familie La Grouw.

Bets en Evert kregen meer kinderen. In 1917 volgde Enny, daarna Ger in 1918, Eefje in 1923 en uiteindelijk Wim in 1925. Vijf kinderen, die met hun ouders van huis naar huis, van woonkamer met slaapkamer verhuisden. Haarlemmerweg en later Nieuwendam en uiteindelijk weer terug naar de Haarlemmerweg. Hun leven was eenvoudig, maar de tijden zwaar. Armoede en werkloosheid lagen altijd op de loer, zeker in de jaren dertig. En zoals zovelen in die tijd, maakten ze een verkeerde politieke keuze — uit wanhoop, niet uit overtuiging. Een noodkreet van wie geen stem had.

De Dappermarkt en de Tweede van Swindenstraat. Bron: Beeldbank Amsterdam.

De oorlog, de honger, het verlies — het ging allemaal voorbij, maar liet sporen na.
Na de bevrijding was er opnieuw niets: geen werk, geen huis, geen uitzicht. Ze woonden in bij hun dochter, tot eindelijk een kleine woning vrijkwam aan de Tweede van Swindenstraat, in de buurt van de Dappermarkt. Daar, in de straat waar je het geschreeuw van de marktkooplui op het marktplein hoorde, waar de geur van de vis kon worden opgesnoven. Daar kwam het leven weer in huis.
De kleinkinderen herinnerden zich oma Bets als een lieve oma met een zachte blik in haar ogen en een schommel op zolder. De zolder waar de tijd leek stil te staan. Toen ze in de jaren zestig verhuisde naar de Henri Borelstraat in Slotermeer, was dat voor haar de eerste nieuwe woning in haar leven.
Daar had ze eindelijk licht en meer ruimte. Later, in het bejaardenhuis van Geuzenveld, bracht ze haar laatste jaren door, in alle rust en de zorg van haar dochter Eefje.
Ze overleed in 1982, negentig jaar oud — geboren met een knal, gestorven omringd door liefde.

Gezinsblad van Willem La Grouw

Willem La Grouw, geb. Amsterdam 4 febr. 1855, † ald. 7 sept. 1937, zn. van Willem en Maria Jesse, tr. 1e Amsterdam 28 febr. 1877 Maria Vroom, geb. Amsterdam 2 aug. 1855, † ald. 17 sept. 1889; tr. 2e Amsterdam 28 aug. 1890 Johanna Elisabeth Van Deventer, geb. Amsterdam 11 jan. 1860, † ald. 29 nov. 1942.
Uit het eerste huwelijk:
1. Willem La Grouw, geb. Amsterdam 16 juli 1877, † ald. 9 juni 1921, tr. Amsterdam 12 april 1899 Cornelia Meur, geb. 1882.
2. Maria La Grouw, geb. Amsterdam 17 juli 1878, † ald. 1879.
3. Johannes La Grouw, geb. Amsterdam 18 okt. 1879, † ald. 8 juli 1939.
4. Johannes Coenraad La Grouw, geb. Amsterdam 1883, † ald. 22 febr. 1963, tr. Amsterdam 13 juni 1906 Janke Koster, † Amsterdam 4 maart 1962.
5. Simon La Grouw, geb. Amsterdam 26 febr. 1886, † ald. 9 okt. 1951, tr. Amsterdam 23 febr. 1910 Frederika Diepeveen, geb. Kampen 1888.
Uit het tweede huwelijk:
6. Theresia Elisabeth La Grouw, geb. Amsterdam 22 maart 1892, † ald. 20 okt. 1982, tr. Sloten 1 mei 1914 Evert De Kruijf, geb. Amsterdam 25 okt. 1886, † ald. 27 febr. 1967, zn. van Gerrit Hendrik en Hendrika Susanna Katté.
7. Johanna Elisabeth La Grouw, geb. Amsterdam 12 febr. 1897, † Delft 21 juli 1979, tr. Sloten 30 aug. 1918 Dirk Houthuijsen, geb. Amsterdam 1892, † ald. 19 febr. 1971.
8. Coenraad La Grouw, geb. Amsterdam 15 nov. 1898, † ald. 16 maart 1899.
9. Marinus La Grouw, geb. 11 sept. 1900, † 10 juli 1990, tr. Amsterdam 31 aug. 1922 Maria Johanna Walters, geb. Amsterdam 16 nov. 1901.
10. Maria Catherina La Grouw, geb. Amsterdam 1903, tr. Amsterdam 13 okt. 1932 August Edzard Gerretsen, geb. Amsterdam 1901.

Gezinsblad van Theresia Elisabeth La Grouw

Theresia Elisabeth La Grouw, geb. Amsterdam 22 maart 1892, † ald. 20 okt. 1982, dr. van Willem en Johanna Elisabeth Van Deventer, tr. Sloten 1 mei 1914 Evert De Kruijf, geb. Amsterdam 25 okt. 1886, † ald. 27 febr. 1967, zn. van Gerrit Hendrik en Hendrika Susanna Katté.
Uit dit huwelijk:
1. Johanna Elisabeth De Kruijf, geb. Sloten 22 mei 1915, † Heiloo 21 aug. 1999, tr. Amsterdam 25 mei 1939 Leonard Johan Frugte, geb. Haarlemmermeer 26 dec. 1913, † Amsterdam 2 aug. 1951, zn. van Karel en Johanna Hendrika Scheepmaker.
2. Hendrika Susanna De Kruijf, geb. Sloten 10 jan. 1917, † Warrnambool 26 nov. 1999, tr. Amsterdam 23 aug. 1943 Frans Bos, geb. Amsterdam 7 nov. 1918, † Warrnambool 23 nov. 1983, zn. van Cornelis Franciscus en Jansje Heyt.
3. Gerrit Hendrik De Kruijf, geb. Sloten 21 mei 1918, † Haarlem 27 mei 2000, tr. Amsterdam 26 okt. 1950 Afra Adriana Kempes, geb. Amsterdam 19 juni 1928, † Haarlem 10 juni 2015, begr. gecremeerd.
4. Everdina Theresia De Kruijf, geb. Amsterdam 8 mei 1923, † ald. 14 mei 2010, tr. Amsterdam 11 juli 1953 Johannes Gerardus Heldens, geb. Amsterdam 15 okt. 1923, † ald. 18 maart 2001, zn. van Johannes Hubertus.
5. Willem De Kruijf, geb. Amsterdam 21 aug. 1925, † Dordrecht 28 juni 2013, tr. 1 febr. 1950 Johanna Cornelia Kempes, geb. 26 jan. 1933.
Oma Bets; kind van twee werelden

Geef een reactie